Maandag, de basis wordt gelegd.
Jaap van Rooijen schaaft een balk from Pepijn van Zoest on Vimeo.
Jaap speelt Cello from Pepijn van Zoest on Vimeo.
Maandag, de basis wordt gelegd.
Jaap van Rooijen schaaft een balk from Pepijn van Zoest on Vimeo.
Jaap speelt Cello from Pepijn van Zoest on Vimeo.
Hoe het werk vordert
Frist_day_and_a_half from Mark Gilbert on Vimeo.
Timelaps video van de bouw van het beest voor het Feu de la Saint Jean 2011. Gemaakt door Mark Gilbert.
Yasmine kwam met dit gedicht van George Brassins:
Een paardje in slecht weer
Wat was ie dapper
‘t Was een wit paardje
Wij allemaal d’r achter en hij voorop
Nooit was het eens mooi weer
In dit arme landschap
Nooit was het lente
Niet van achteren en niet voorop
Maar hij was altijd blij
Met die dorpsjongens achter hem
Dwars door de velden en de zwarte regen
Allemaal achter hem en hij voorop
Zijn kar met jongens volgde
Z’n mooie wilde staartje
Dan was hij blij
Wij achter hem en hij voorop
Maar op een dag toen het slecht weer was
Toen hij zo zijn best deed
Werd hij door een witte bliksem getroffen
Wij d’r achter en hij voorop
Zo ging hij dood zonder mooi weer te zien
Wat was hij toch dapper
Hij stierf zonder de lente te zien
Niet van achter en niet voorop
‘Sinds Monsieur Pépyn te midden van ons is’, verklaart de heer burgemeester van de gemeente Sussey, ‘valt er hier veel te beleven…’ De Sint-Johannes-vuren, die niet langer duren dan de kortste nacht , vereisen voorbereidingen die een jaar lang duren. En dat vraagt niet alleen om de creatieve energie van de kunstenaar, maar ook de medewerking van allerlei meewerkende mensen . Monsieur Pépyn maakt gebruik van alles en iedereen: een zeer gevarieerd gezelschap, Fransen en Hollanders. Monsieur Pépyn is een kunstenaar van het vergankelijke, het efemere: zijn creaties worden niet gemaakt om blijvend te zijn, maar om in vuur op te gaan. De fik gaat er in wanneer de maan opkomt tijdens de zomerzonnewende. Bruikbaar wegwerphout, dat is wat er wordt gebruikt. Dat komen ze bij hem storten. En wat hij er van maakt, dat vindt iedereen prachtig.
Je zou hem in de week vóór de fik bezig moeten zien; als een bezetene is hij dan bezig om een groot beest te bouwen – een stier, een everzwijn, een haan. Dat beest krijgt dan door zijn geweldige formaat iets van een fabeldier. Zo’n rechtop staande haan, met opgeheven kop en staart, zo’n zeven meter hoog, daar sla je van achterover, je voelt je meegenomen naar een sprookjesland.
Hij heeft daar lang over moeten nadenken, de afmetingen moeten berekenen. Het model moest getekend, met binnen- en buitenkant, een constructie die in staat moest zijn om een grote hoeveelheid pallets bijeen te houden. Eerst moet het karkas worden gemaakt en daar komen dan honderden stukken hout tegen aan, die goed moeten worden vastgeklonken.
Hij wordt geholpen door een groep vrijwilligers, die flink zweten vanwege de zomerzon. Ze zagen balken en planken, terwijl we vooral de daadkracht en handigheid kunnen bewonderen van Pepijn. Samen met een andere geoefende timmerman hanteert hij hamer, niet-apparaat en zaag. Op de arbeidsplaats kun je van ’s morgens vroeg tot het vallen van de nacht het gedreun en gekreun horen van de apparaten. Er is geen tijd voor gebabbel en voorbijgangers blijven met open mond stilstaan aan de voet van het wonderbaarlijke dier. Het lijkt wel een levend wezen. De maker staat, al werkend aan zijn creatie, midden in de buik van zijn schepping – alleen zijn bovenlijf steekt er boven uit. Hij lijkt wel een vogeltje. En ineens beleef je iets verrassends: het lijkt wel of de rollen omgedraaid zijn, of het dier de vader en moeder is van de mens.
Als de grote dag is aangebroken moet het beest, volgestopt met stro en vuurwerk, worden versleept naar de heuvel waar het zal worden geofferd. Daar moeten een stuk of tien gespierde mannen aan te pas komen. Ze houden hun adem in, slaken kreten, barsten in lachen uit. En sommigen mompelen: het is eigenlijk zonde! Het is zo’n mooi beest. Het staat er zo fier bij! Meneer de burgemeester zou liever willen dat het een mooie plaats zou krijgen op het dorpsplein. Maar ja, helaas, dat is de bedoeling niet van de kunstenaar. Het beest wordt stevig vastgesjord op een oplegger, die wordt voortgetrokken door een tractor. Daarachter een hele stoet auto’s. Zo vertrekt het dier vanaf de plek waar het geschapen is. Omstanders met een gevoelig karakter pinken een traan weg.
En als de grote avond dan is aangebroken, zien we onze haan daar staan, fier, met geheven kop, zijn staart in de wind, de hals gestrekt, uitkijkend over het mooie landschap. De apotheose nadert en van alle kanten komen de mensen er naar kijken. Daar verschijnt de maan aan de horizon, groot en vaalrood. De hemel wordt donker. Het moment is aangebroken.
Met een vuurstok steekt Monsieur Pépyn de fik er in. Luttele seconden later begint het vuurwerk volop te knetteren. Via een eenvoudig touwtje gaat de bek van de haan open en in die sombere avondlucht horen we hem voor het laatst kraaien. Iedereen, vlak bij het vuur, schreeuwt mee. Cocorico! Kukeleku! Het beest gaat er aan. We zien de kam op z’n kop zwart worden en lang flikkeren daar nog kleine vlammetjes aan. Z’n ronde oog draait als een karbonkel. Het lijkt wel of hij ons aankijkt.
Het vuur wordt steeds feller. Het knettert en knalt. Wanneer de haan alleen nog maar een geheel van vurige as-resten is, een uitdovende fakkel, dan blijft er toch nog een groot brandend kruis zichtbaar. Toeval? Of een geheime opzet van onze magiër? We sidderen, lachen, drinken, eten worstjes, dansen. We passen op voor de rondzwevende vonken, we slaken kreten van bewondering, Oh! Ah!, Wauw! Hoe zou je je anders kunnen uitdrukken, wanneer je met iets subliems te maken hebt?
Meneer de burgemeester verttelt aan meneer de prefect over Monsieur Pépyn. Die denkt al aan een nieuw project voor volgend jaar.
Camille Mortagne, 2010